U bevindt zich hier: Home » Dorpen » Zorgvlied » Wateren

Wateren

Foto boven. Vervallen schuur bij de boerderij aan Wateren 1 te Wateren.

In 1493 to Waethoeren genoemd. De plaatsnaam is samengesteld uit waet = nat en horn = hoek, wat natte hoek betekend. In 1893 werd Wateren - Zorgvlied een paraochie, naast Vledder, in de ontginningen tegen de Friese grens.

Dit is het werk van Lodewijk Guillaume Verwer. Hij heeft in Villa Castera Vetera voor de rooms-katholieke bevolking een huiskapel ingericht. De villa is door Verwer omgedoopt in Huize Zorgvlied.

Castera Vetera maakt deel uit van het landgoed Groot en Klein Wateren, dat Verwer in 1879 kocht van De Ruyter de Wildt. Deze had het daarvóór met het Landbouwkundig Instituut in dat gebied aangekocht van de Maatschappij van Weldadigheid.

Verwer liet Noord-Brabanste tabaksplanters en katholieke Friese Boeren overkomen en bood hen grond van zijn landgoed aan. De boeren braken hun Friese boerderij af en bouwden deze weer op in Wateren en het nabije Zorgvlied.

Bartholomeus Willem Wittewaal van Wickenburgh

een bekwaam landhuishoudkundige in de 19de eeuw, maakte in 1836 een voetreis vanaf het Veluwsche landgoed de Reele over Deventer, door Noord-Overijssel en Drente tot Groningen. WTTEWAAL was een goed waernemer, zoodat zelfs de kleinste bijzonderheden niet aan zijn aandacht ontsnapten. Zijne indrukken gaf hij uitvoerig weer in een groot aantal brieven, welke hij gedurende zijn reis aan zijne ouders schreef.

Deze brieven vormden de bouwstoffen voor de beschrijving van zijn reis door Drente. Hier volgt zijn verslag van zijn bezoek aan Wateren en omgeving.

Te Wateren maakte WTTEWAALL kennis met den directeur van het instituut. Deze had 75 Gereformeerde weesjongens onder zich. Het was een bemind, eenvoudig, nederig en niet onbekwaam man uit den boerenstand en was eerst 8 jaar schoolmeester geweest. ,,Zijn wijze van cultiveeren bevalt mij volstrekt niet", zegt WTTEWAALL. ,,Door den omgang en leiding van een bekwaam man zoude deze inrichting goed kunnen zip, althans ten deele. Maar de plaats is meer dan dwaas gekozen, 2 uur van een kanaal verwijderd en allerslechtste grond van veen en leelijk vaal en dor zand".

Men hield hier 700 schapen op de heide en men kon er wel 1000 houden. De commissie wilde echter geen schapenhok meer bijbouwen. De heide van Wateren strekte zich uit tot bij Veenhuizen en Frederiksoord. De koeien worden gehouden op nieuw land, ontstaan door besproeiing. De drooge zomer had weinig water doen afkomen, waardoor het groenland schraal was. Het besloeg ongeveer 50 bunder en met de afgebakende heide 100 bunder en werd door 100 stuks vee beweid. De koeien zagen er goed van fatsoen, doch mager uit. Men hield 50 kalveren; 3 à 4 kalveren kregen de melk van één koe. Verder werden gehouden 50 pinken en 50 vaarzen van twee jaar.

De productie van rogge was op hetzelfde land 150 mudden in 1831, 230 mudden in 1832, 400 mudden in 1833, 450 mudden in 1834, 600 mudden in 1835 en bijna 700 mudden in 1836. Het bouwland vermeerderde niet, doch wel het boekweitveen. Overal groeide, op plaatsen waar men het niet gezaaid had, lange wilde spurrie. De boeren noemden het mier en hadden deze spurrie het liefst voor hun vee.

Te midden van de barre heide, zonder omwallingen, was een botanische tuin aangelegd. De onderwijzer kende de planten alle bij den latijnschen naam en leerde dit ook aan de jongens, die eigenlijk opgeleid werden voor boeren, doch bijna alle soldaat of schoolmeester werden.

Nog deelt WTTEWAALL mede, dat hij te Wateren en Veenhuizen veldovens zag, waarin leemsteenen werden gebakken.

Letterlijk overgenomen uit de Nieuwe Drentsche Volksalmanak van 1920.